Recensies

In 2010/2011 volgde ik de cursus ‘recensie schrijven’ bij Parool recensent Simon van de Berg, georganiseerd door de Stadsschouwburg Amsterdam. Ik schrijf momenteel recensies, opinieartikelen, interviews en achtergronden van voorstellingen die ik heb bekeken. Deze publiceer ik op 8 WEEKLY,  een cultureel webmagazine met een breed aanbod van artikelen over cultuur. Maandelijks bezoeken tussen de 45.000 en 60.000 bezoekers de website.

Recensie Op de bodem/Orkater

Orkater - Op de bodem

Niet te redden in bizarre en absurdistische Op de bodem

Het openingsbeeld schetst een zonnig tafereel: de receptie van een vakantieresort, palmbomen, een enorme verlichte smiley en een zeskoppige band. Zoveel optimisme, dat moet wel mis gaan. En dat gaat het. Van afgebeten oren tot pijnlijke bekentenissen, van troosteloze neukpartijen tot orgastische uitspattingen. Dat het leven uitzichtloos is, wordt ons in Op de bodem draconisch door de strot geduwd.

Met het wegvallen van de meeste productiehuizen, vindt jong talent moeilijker haar weg naar de professionele theaterpraktijk. Orkater biedt onder de noemer De Nieuwkomers jong talent de kans om een grote zaal voorstelling te maken. Regisseur Michiel de Regt en schrijver Oscar van Woensel pakken groots uit: een absurdistische, rauwe voorstelling waarin de gekte van de personages zich tot in het extreme manifesteert. Het is even schrikken voor de abonnementhouders, die vertrouwden op het muzikale en doorgaans toegankelijke Orkater-theater. Dit is hard, bizar en vooral weinig subtiel.

Leeg en zielloos
De Regt en Van Woensel lieten zich inspireren door Maxim Gorki’s Nachtasiel. Daarin dromen de personages, ondanks dat ze financieel aan de grond zijn geraakt, van een mooie toekomst. In Op de bodem zitten de personages niet financieel, maar ideologisch aan de grond. Vier stellen bezoeken een all inclusive resort, allen op zoek naar afleiding en vertier. Al vanaf het begin zien we de vier stellen (en een vrijgezelle dame) worstelen met de troosteloosheid van hun bestaan. Waar de één ongeneeslijk ziek is, klaagt de ander over het gebrek aan communicatie, werk of liefde. We krijgen lege en zielloze personages voorgeschoteld, met wie we nauwelijks enige empathie of meelijden voelen.

Absurdisme op afstand
De makers kozen voor absurdisme in haar meest pure vorm. Dikmaakpakken, flauwe dansjes en nooit volle cocktailglazen. Nadat iemand een oog is uitgestoken, reageert hij met 'ik zou de krant wel even willen lezen'. Het moet gezegd, de vorm is consequent en tot in de finesses doorgevoerd, maar de voorstelling blijft daardoor op afstand; het brengt ons niet verder dan een gekkemensenparade. Dat de stellen uiteindelijk half naakt, bebloed en letterlijk kapotgeschoten eindigen, werkt eerder lachwekkend dan schrijnend.

Geen redding mogelijk
Je vraagt je af wat de makers hebben willen schetsen: een dolende generatie twintigers, een lege maatschappij, een parodie op het sociale drama? En wat vertelt het? Willen de makers ons de spiegel voorhouden dat de mens dolend en vermoeid rondwandelt in dit aardse bestaan? Dat is niets nieuws onder de zon. De uitspraken zijn clichématig ('liefde, geef me liefde' en die letterlijke titel: waarom?!): het is onduidelijk of dat een keuze is om de leegheid te bevestigen, of niet. Wat wel helder is dat we vanaf het eerste moment weten dat deze figuren niet meer te redden zijn. Geen ingehouden angsten, nee, alles ligt open en bloot op tafel. Nergens wordt de voorstelling spannend of krijgt het een verrassende wending. De neon smileylamp houdt ermee op, stellen zijn uit elkaar, het decor is een ravage.

Ode aan Kofferband
Enig lichtpuntje in deze duisternis is de muziek van Kofferband. De band wisselt moeiteloos af tussen strakke jazz, geestige kinderliedjes, intermezzi met kazoo en wasbord en echte rock. Mooi ook zijn de momenten waarop de muziek wordt ingezet; iemand krijgt een vork in zijn oog en de band barst uit in een meerstemmig lied: daar werkt het absurdisme wel. Maar dat is de enige verlichting die men ons brengt, verder gaat de zon in deze voorstelling helaas niet schijnen.

Klik hier voor de publicatie

Recensie Kill your Character/Moeremans & Sons

recensie: Moeremans & Sons - Kill your character

Geloofwaardige zoektocht

Het publiek wordt vooraf gerustgesteld: gaat u zonder vrees naar binnen. Het stuk dat u gaat zien, heeft niet als doel om te confronteren of te shockeren. 'We willen alleen maar goed voor u zorgen.' Daarmee ligt gelijk de kern van Kill your character bloot: wat wil theater met haar publiek en waarom acteren we eigenlijk?

Het stuk is de eindexamenvoorstelling van toneelacademiestudenten van ArteZ uit Arnhem; wel heel losjes gebaseerd op Luigi Pirandello’s meesterwerk Zes personages op zoek naar een acteur uit 1921. De voorstelling begint traag. Een dramaturge en technicus zijn de laatste voorbereidingen aan het treffen voor een toneelrepetitie, de acteurs en regisseuse druppelen één voor één binnen. Een vouwfiets, nat haar, doorlopen mascara, pedant roeren in een kopje thee: het laat vilein de eigenaardigheden van acteurs zien. De acteurs spreken zacht, haast onverstaanbaar. Twee vrouwen in het publiek vinden het lang duren. Hardop vragen ze zich af wanneer het nu echt gaat beginnen. Ze weten niet dat het al begonnen is, dat deze naturelle speelstijl een dreigende voorbode is voor wat straks gaat komen.

Geloofwaardig spel
We zien de repetitie van een toneelstuk. Een gezin, bestaande uit vader, moeder en twee dochters. De ene dochter heeft een kind verloren, de ander is autistisch. De acteurs doen hun best een sterk ingeleefd drama neer te zetten, maar onderbreken de repetitie als ze zelf twijfelen aan wat ze aan het maken zijn. Hoe kan een 25-jarige actrice nu geloofwaardig een vrouw van 40 spelen? Waarom zit een autistisch kind in een rolstoel? Daarop volgt een lange discussie tussen de acteurs hoe het dode kind te verbeelden. Alle theaterclichés komen voorbij, zonder dat de acteurs zichzelf daarbij sparen. Een prachtige en vooral geestige scène.

Wie is echt?
Echt spannend wordt het als de vier personages, die de acteurs net zelf hebben gecreëerd, op komen lopen. Vanaf dan lopen alle lijnen door elkaar. Wie is er nu acteur of personage? Kan het echte personage alstublieft opstaan? De personages vragen aan de acteurs waarom zij zo zijn gemaakt. Waarom zo karikaturaal? Waarom moeten zij lijden op het toneel? Schrap ons toch! De acteurs zoeken verward naar antwoorden. Aan de hand van de aloude theaterwetten zoeken ze naar rechtvaardiging. 'We willen het publiek een spiegel voorhouden, dat het zich herkent. En ja, we willen gewoon een succesvolle voorstelling maken.' Het is fantastisch acteerwerk van alle eindexamenstudenten dat we hier zien: gelaagd en vooral geloofwaardig.

Vraag of antwoord
Moeremans & Sons laat het publiek achter met veel vragen. Dit was toneel in al haar verschijningsvormen: een veelheid aan speelstijlen die ons continue in verwarring achterlaten. Is het nu schijn of werkelijkheid? In de schitterende eindmonoloog van de regisseuse schuilt misschien het antwoord op de vraag waarom we eigenlijk acteren: sommige dingen moet je gewoon voor waar aannemen. De twee vrouwen uit het publiek verlaten boos de zaal: 'dit was geen toneel.' Misschien waren zij wel het meest geshockeerd van iedereen en was dat stiekem toch de bedoeling van de makers.

Klik hier voor de publicatie

Recensie Spookhuis der Geschiedenis/Wunderbaum

Spookhuis der Geschiedenis getuigt van moed

Het publiek in de rij voor de festivaltent wordt door vertrouwde kermismuziek het spookhuis der geschiedenis in gelokt. Door de donkere gang met in netten hangende foetussen baant het zich een weg de zaal in, waar ze geconfronteerd wordt met een thriller van 21e eeuwse gruweldaden. Met het lef van de acteurs van Wunderbaum, de ongenadeloze tekst van Rijnders en de bezielde operamuziek van Wagner leidt dat - net als bij een echte kermisattractie - tot angstaanjagende ogenblikken.

Wunderbaum is één van de theatergezelschappen die zich nadrukkelijk verbindt met de maatschappelijke actualiteit. In Venlo belanden de bewoners van een provinciestad in een ‘leefbaarheidcrisis’ en in Natives ervaart een volkswijk de effecten van de crisis. Ook voor Het spookhuis der geschiedenis zoekt Wunderbaum naar een vertaling van het huidige politieke en maatschappelijke klimaat. Ze vroegen Gerardjan Rijnders een tekst voor deze productie te schrijven. Hij liet zich hiervoor inspireren door De Theatermaker van Thomas Bernhard, een stuk dat ook nu nog actueel blijkt.

 

De geschiedenis te lijf

Rijnders heeft de originele plot van Bernhards’ stuk grotendeels gevolgd: Regisseur Lutz Lutz (what’s in a name?) repeteert met zijn gezelschap voor hun nieuwste productie: Het spookhuis der geschiedenis. Een laatste ‘vitale daad’ die al het voorgaande theater zal doen verstommen. Het probleem is dat geen enkele stad het stuk in de (festival)programmering op wil nemen. Toch moet de voorstelling gerepeteerd worden ‘voor het geval Amsterdam toch toehapt.’ Dat gebeurt met volle overgave; in acht staties worden de gevolgen van het westers kapitalistisch regime geportretteerd. Regisseur Lutz ontpopt zich meer en meer als dictatoriaal hoofd van zijn theatergroep, tot hij na een definitieve afwijzing ook zijn eigen geschiedenis het hoofd moet bieden.

Grotesk en karikaturaal
Het is een overvloedig en rijk spektakel, dat zich in anderhalf uur voltrekt. In groteske en haast karikaturale beelden zien we de geschiedenis van de 21e eeuw zich opnieuw aan ons voltrekken. Het grote gebaar wordt hierbij niet geschuwd. Walter Bart speelt Lutz als een waanzinnige en door innerlijke noodzaak gedreven regisseur. Steve Jobs, de ‘war on terror’, de val uit de Twin Towers, Merkel en Sarkozy in incontinentieluiers: het buitelt over elkaar heen en de zwaar aangezette opera van Wagner benadrukt het megalomane ervan.

 

Toch is het Wunderbaum daar niet om te doen. Het is de zoektocht van een theatergezelschap: hoe verhoud je je tot de actualiteit, moet theater vragen oproepen of juist antwoorden geven en hoe gedreven is de theaterwereld van nu eigenlijk? Er zijn volop verwijzingen naar het theatermilieu: zo zijn de operadagen ‘één groot homoseksueel complot’ en is ervaringstheater ‘een brevet van theatraal onvermogen’.

Spookhuis geen rollercoaster

De uitgesprokenheid van Het spookhuis der geschiedenis getuigt van moed. Toch is het niet de theatrale rollercoaster geworden die het gezelschap waarschijnlijk voor ogen had. De weliswaar prachtig gezongen operastukken halen de vaart eruit en de heftigheid is vanaf het begin al zo aanwezig dat je de daarop volgende uitvergroting soms eerder lachwekkend dan pijnlijk werkt.

 

Toch zitten er sublieme momenten in die het meer dan noodzakelijk maakt om de voorstelling te gaan zien. Wat te denken van een omhoog getakelde actrice, hangend voor een projectie van de Twin Towers, zodat zij minutenlang naar beneden lijkt te vallen? Of de scène dat de geboortebeperking wordt geënsceneerd door het spuiten van mayonaise over pasgeboren baby’s? Het mooiste moment is echter dat Lutz zijn gezelschap na een mislukte repetitie in bloot – en negerpakken letterlijk naar buiten stuurt om een luchtje te scheppen. Dan wordt ineens de noodzaak van het maken van deze voorstelling voelbaar door het te vermengen met het nietsvermoedende winkelpubliek. Jammer dat er niet gekozen is voor een open kermistent, want juist dit stuk had zich uitstekend geleend voor een daadwerkelijke interactie met de wereld erbuiten.

****

Klik hier voor de publicatie op 8 weekly

Recensie Thaibox Verdriet/De Toneelmakerij

Het verdriet te lijf
 

Het zijn niet de minste thema’s die aangesneden worden in Thaibox Verdriet. Boris heeft een gevecht te leveren met zijn grillige vader, die hem van jongs af aan kleineert. Het meisje Elja bokst van zich af om zich te ontworstelen van de liefde voor haar broer, sportschoolhouder Hank. Tom Smulders is niet alleen naar de sportschool gekomen om de bokswedstrijd te winnen, maar ook om zijn jongere broer Boris na jaren weer in zijn armen te kunnen sluiten. Al deze thema’s strijden tegelijkertijd om een plek in de boksring.

In boksschool de Silent Dragon bereid men zich voor op de National Gym Award die over vijf dagen wordt gehouden. Het publiek zit net als bij een echt boksgala rondom, wacht de wedstrijd af, beleeft de dagen voor de wedstrijd. De acteurs lopen de ring in en uit, die letterlijk steeds verder wordt opgebouwd, het licht is fel, de toeschouwers zien steeds elkaars reacties op de gebeurtenissen in de ring. Er is geen ontkomen aan: deze bokswedstrijd spiegelt en confronteert.

Als je niet gefocust bent, val je om. Als je niet weet waarom je het doet, hoef je er niet eens aan te beginnen. Als je niet in jezelf gelooft, doet een ander dat ook niet. En ook: klappen alleen zijn niet genoeg als het hart moet worden geraakt. Een goed gekozen thema voor jongeren. Boksen als metafoor voor het leven.
De makers maken het zichzelf niet gemakkelijk: ook in de vorm zoeken ze naar een nieuwe theatertaal door nieuwe, verrassende combinaties van taal, dans, ritme en muziek te maken.

Een nieuwe jongerentaal
Liesbeth Colthof heeft van Thaibox Verdriet een energieke en dynamische voorstelling gemaakt. De scènes wisselen elkaar in hoog tempo af en de muziek, poëzie, dans en tekst is prachtig gecomponeerd. De werelden van poëzie en boksen, lijken zich op het eerste gezicht te bijten: maar dat gegeven trok schrijver Ad de Bont juist zo aan: het samenbrengen van die twee uitersten leidt tot een bijzondere theatraliteit.

In sommige scenes werkt die mix fantastisch, zoals in het bedrijven van de liefde van Elja met de manager van Tom, Woody. Het zoeken naar elkaar in een boks- en tegelijkertijd liefdesdans is het ontwerp van een nieuwe jongerentaal. Daar komt de verbale onmacht van de twee gemankeerde jongeren schitterend samen in ijzersterk duet. Of wanneer broer Tom zich poëtisch uitdrukt in het finale gevecht: ‘ik heb je gevoeld, geproefd en gevonden’. Het boksen is een mooie vertaling van het rauwe leven en de taal krijgt hier een nieuwe betekenis.

Geloofwaardige klappen
De energie die in het ritme van de voorstelling zit, zit ook in het spel. Het boksen is niet in een strakke choreografie vastgelegd: de acteurs volgden een 6-weekse training in thaiboksen en kung fu. Dus zien we een gevecht waar rake klappen vallen, waar het zweet het publiek op de eerste rij  nat druppelt en waar de spanning tussen de acteurs voelbaar is. Maar ook het spel is oprecht, niet doorleefd, maar de dialogen worden als stoten uitgedeeld. Niks is hier op halve kracht, dit verhaal moet met gevaar voor eigen leven worden verteld.

Reprise
Thaibox Verdriet is in 2010 een groot succes en daarom nu in reprise. De humor, het opstuwende ritme en de herkenbare wereld voor jongeren, maken dat het een voorstelling is die veel jongeren van nu aanspreekt. Hopelijk beklijft op de lange termijn niet alleen de fysieke confrontatie, maar ook de mooi verwoordde emotie in een dichterlijke jas. Want als je helemaal niets meer hebt, heb je altijd nog de schoonheid van de poëzie.

Thaibox verdriet van de Toneelmakerij wordt nog gespeeld tot 5 april 2012.
Voor de volledige speellijst: www.toneelmakerij.nl

****

Klik hier voor de publicatie op 8 weekly

Recensie Spoken/TGA

Recensie Spoken van Ibsen door Toneelgroep Amsterdam, regie van Thomas Ostermeier

Gezien: 24 februari 2011, Stadsschouwburg Amsterdam

 

Ik heb de afgelopen week toevallig veel theater gezien en ga met een vermoeide geest de zaal in. Ik raak verzadigd, ik zie teveel van hetzelfde. Als ik een eerste blik op het decor van Spoken richt, word ik betoverd door de schoonheid ervan. Hiervoor wil ik me wel openstellen. Prachtige sfeerbeelden van zee, bos en strand worden geprojecteerd. Dan, door het openen van een tweede houten schot -fraai hout, geen goedkoop wit scherm- en trekt het spookachtige landschap aan ons voorbij. Op de achtergrond stort een scherm van regen naar beneden, het dondert en kou trekt de zaal in. Op de achtergrond dekt een meisje de tafel. Rembrandtiaans uitgelicht. Ze dekt zorgvuldig, met aandacht. Wat word ik blij van dit levend portret, van deze esthetiek.

Dan gaat ze praten. Haar vader komt op en ze schrikt van zijn binnenkomst. Ik versta haar slecht, het geluid lijkt naar achteren te slaan. Ik irriteer me aan haar eerste verschrikte blik die ik niet geloofwaardig vind. Het heilig ontzag dat ik de eerste vijf minuten voor deze voorstelling had, is helaas snel minder geworden. De opkomst van Hans Kesting als de moralistische dominee Manders en Marieke Heebink als de geschonden Hélène Alving stellen me enigszins gerust. Prachtig is het als dan het decor ook nog blijkt te kunnen draaien en we de scène ineens vanuit het perspectief van Hélène beleven. De gaten in de sokken van de dominee die zij gadeslaat, zijn een fantastisch beeld waarin voor mij de schijnheiligheid van de gehele kerk vertegenwoordigd zit. En toch doet het ook een appèl op menselijkheid, dat vind ik knap.

De eerste scène tussen deze twee personages is prachtig ingehouden gespeeld. Het verdriet van de vrouw over haar mislukte huwelijk waartoe ze toentertijd door de dominee in gedwongen werd, wordt voelbaar, maar nergens pathetisch. Ik geniet van het intrigerende psychologische spel tussen hen. Met dank aan Ibsen voor de gelaagdheid en de opbouw van de tekst. Als in een verantwoord emo-drama mag ik meekijken in de levens van deze beschadigde mensen. De opkomst van de zoon Oswald, gespeeld door Eelco Smits is spannend. Hij bekijkt zijn familie door de ogen van een camera. Mooi idee dat hij de buitenstaander is die de waarheid filtert door de camera te zetten waar hij het op wil zetten. Jammer genoeg is het technisch nog niet volmaakt. Of is het een inhoudelijke keuze om de videobeelden een paar seconden later te tonen? Ik raak er door afgeleid. De gekte van de zoon -hij lijdt aan hersenverweking volgens zijn dokter- speelt hij fenomenaal. Ik ben opgelucht als ik deze acteur hoor praten zonder dat opgelegde toneelschooltoontje. Hij laat alle facetten en kleuren zien die horen bij iemand die afgewezen is door degene die hem het dichtst bij zich had moeten houden: zijn moeder.

Tot het vertrek van Regina, het dienstmeisje dat de halfzus van Oswald blijkt te zijn, kan ik alle keuzes die de personages maken volgen. Ik begrijp ook nog dat Oswald volkomen doorslaat, het resultaat van het jarenlang afgewezen zijn, maar dat het schuldgevoel van Hélène wordt afgekocht met het tongzoenen van haar zoon, vind ik zo gekunsteld. Het heeft niets te maken met het dwingende karakter van het sociale milieu en komt niet voort uit de psychologie zoals Ibsen die bedoeld heeft. Ik denk alleen maar dat de regisseur het wel een spannend idee vond. Vooral als dit beeld haar climax kent in het beeld van een moderne piëta, is de hysterie voor mij compleet. En ik las dat Ostermeier daar nu juist wars van was. Jammer. Maar goed, het laatste overspannen kwartier daargelaten, denk ik toch dat dit zorgvuldig gepolijste drama met zoveel oog voor schoonheid op mijn lijstje van favorieten zal komen te staan.

Recensie Emila Galotti/Nationale Toneel

Emilia Galotti door het Nationale Toneel/Susanne Kennedy

Gezien: 15 december 2010 Frascati Amsterdam

‘So eine mädel vergißt man nicht’. Vijf minuten lang zingt kamerheer Marinelli het ijl de zaal in terwijl hij aan zijn grammofoon draait. In het midden van het decor ligt onder een stuk plastic de naakte Emilia Galotti. Dood nog voordat het stuk begint. Vijf andere personages kijken het publiek aan alsof ze elk moment de aanval op hen kunnen openen. Zo begint de tragedie Emilia Galotti, een stuk van Lessing uit 1772, gespeeld door het Nationale Toneel, geregisseerd door de jonge maker Susanne Kennedy.

Gedurende het stuk kijken we terug op de laatste periode van het leven van het burgermeisje Emilia Galotti. Het is de bedoeling dat zij zou trouwen met graaf Appiani, maar prins Gonzaga beschikt anders over haar lot. Vanaf het moment dat hij haar ontmoet, wil hij haar in zijn ‘lustkasteel’ bij zich hebben. Daarom moet graaf Appiani uit de weg geruimd worden. De maîtresse van Gonzaga, gravin Orsina, raakt bij het horen van het overspel van haar geliefde buiten zinnen en licht de vader van het meisje in. In de laatste ontmoeting tussen vader en dochter vraagt Emilia haar vader haar te doden, omdat er geen ontkomen is aan de macht van de prins. Haar vader Odoardo besluit zijn dochter te redden en doodt haar.

Tot zover het verhaal. Het is Kennedy niet om de plot te doen. Ze heeft het stuk van Lessing gebruikt om het publiek de gevoelens te tonen van een meisje dat verward is door de gevoelens die ze heeft voor een tiran. Enerzijds gruwt ze van zo een heerser, anderzijds wordt ze aangetrokken door de erotiek van zijn macht. Enerzijds wil ze zich aan de moraal van die tijd houden -een meisje dient haar ouders te gehoorzamen en te trouwen met een partij die haar aangeboden wordt- anderzijds voelt ze de kracht die zij heeft als vrouw en voelt ze de spanning en lust van de gewelddadige seks. Verleiding is het werkelijke geweld.

Om dit alles kracht bij te zetten heeft Kennedy opnieuw een afstandelijke, gestileerde speelstijl gebruikt. Haar handtekening is duidelijk zichtbaar in dit stuk. De personages kijken het publiek voortdurend aan, hun witgeschminkte gezichten en getekende grimassen versterken het horrorelement; hun emoties mogen we even meevoelen, om daarna onmiddellijk weer op afstand gezet te worden. De emoties lopen niet synchroon met de gestileerde bewegingen van de acteurs, waardoor er nog meer vervreemding ontstaat. De tekst is door Lessing gecomponeerd als een modern muziekstuk. Het levert prachtige momenten op, zoals het moment dat alle vrouwen verschrikt reageren dat Emilia geschaakt is door de prins. ‘De Prins? (stilte) De Prins? (langere stilte) De Prins!’

Het is onmiskenbaar de stijl van een maakster die theater theater wil laten zijn. Geen enkele poging wordt er door Kennedy gedaan om ons als in een film mee te laten voelen met de vertwijfeling van het meisje. We kijken naar een horrorscenario waar wij zelf in meespelen. Zo dooft het zaallicht de eerste helft van het stuk niet, zodat we medeplichtig zijn aan het drama dat zich afspeelt. We mogen steeds heel even meevoelen en dan worden we weer hard in het gezicht geslagen. Besef waar je om lacht.

De onmacht en paniek van de moeder van Emilia komen in deze stijl prachtig tot uiting. Hierin kan Antoinette Helgersma de verwarring hoe met haar wellustige dochter om te gaan meesterlijk vorm geven. De tics, het schakelen tussen de emoties, de kleine introspectieven die ze heeft als ze haar dochter schoonpoetst van de schande: het is een genot om naar te kijken. Ook Tamar van den Dop die hier fantastisch transformeert tot gravin Orsina is zowel meedogenloos als om te huilen zo tragisch.

Susanne Kennedy heeft een stuk willen maken over de veranderende rol van de man: die van heerser en tiran naar een invoelend en liefhebbend man.

De vervloeking van vader Odoardo heeft zij tot uitgangspunt van de voorstelling genomen. Dan snap ik niet waarom hij tot driekwart van de voorstelling tegen de achtermuur geleund staat en de strijd zich intussen afspeelt tussen de prins, de vermoorde graaf, de gravin, moeder en Emilia zelf. Tot dan toe was ik vooral gefascineerd door het conflict dat zich tussen de vrouwen en in Emilia zelf afspeelde.

Pas op het laatste moment en bij verrassing komt haar vader voor de keuze te staan of hij haar zal doden of niet. Zij hoeft niet lang aan te dringen bij hem, want al snel besluit hij in een erotisch geladen moordritueel een einde aan haar leven te maken. Waarom als dat haar uitgangspunt is, heeft ze dit stuk uit de kast getrokken? Als het Kennedy de veranderende rol van de man in de maatschappij te doen is, waarom gebruikt ze dan een zo gedateerd stuk? Dan komen alle regiekeuzes om ons een hedendaagse horror voor te spiegelen over falende mannen mij wat gekunsteld over. Misschien komt het doordat de mannen in dit stuk minder uit de voeten lijken te kunnen met de manier van spelen en nergens echt gevaarlijk worden. Uiteindelijk lijkt het alsof plot en tekst haar meer in de weg hebben gezeten dan geholpen. Ik ben dan ook benieuwd of mädel Emilia volgende week nog in mijn gedachten rondspookt.

Recensie Nooit van Elkaar/TGA

Nooit van elkaar van Jon Fosse door TGA, regie Ivo van Hove

Gezien: Stadsschouwburg Amsterdam, 18 april 2011

Laatste keer. De vettige damp van café Stanislavski begint bijna vertrouwd te ruiken. Nog één keer naar een stuk van TGA.  Zonder deze cursus, bezoek ik niet snel uit eigen beweging een voorstelling van dit gezelschap, leert de ervaring.

In de zaal laat ik het eerste toneelbeeld op me inwerken. Dit kan niet misgaan. Dit stuk kent voor mij na het lezen ervan geen geheimen: dit wordt een prachtrecensie.

Bij het lezen van ‘Nooit van elkaar’ van de Noorse schrijver Jon Fosse, werd ik bijna dronken meegevoerd door de herhaling en het ritme van de tekst. Fosse nam me mee en liet me een gedicht lezen. Over een vrouw die wacht. Op haar man of haar ex. Ze is verdwaald in haar eigen gedachtes, ze weet niet of hij nu wel of niet zal komen, of hij nu wel of niet is geweest. Voortdurend spreekt ze zichzelf tegen. Haar man komt (of niet) en hij neemt een meisje mee. (of een minnares)

De figuren die Fosse opvoert hebben geen naam. Dat is exemplarisch voor dit stuk: niet de psychologie van de karakters is belangrijk, maar de gedachtes die zij uitspreken. Vanwege de herhaling en het gebrek aan psychologie, ben ik het stuk al snel gaan interpreteren als een metafoor. Op zoek naar de waarheid die onder de tekst zou liggen, dacht ik deze na een tweede lezing gevonden te hebben: het ging over de dood. De vrouw rouwde om de dood van haar man. In de tekst zegt ze meerdere keren de letterlijke tekst: ‘Hij is weg. Als in een dood.’ En dat de ‘hij’ zo moe is, zoals hij in de tekst zegt, leek me een mooie verklaring voor het net gestorven zijn. Duidelijker kon toch niet. En het meisje? Dat stond symbool stond voor het meisje dat de vrouw vroeger was, bij hem. Het verlangen naar gelukkiger tijden samen.

Het decor voldeed volkomen aan mijn verwachtingen: een desolaat, onbestemd landschap. Een tussenstation, voordat de reis naar het oneindige gemaakt zou worden. De oranje lichten die het appartement van de vrouw vanachter een glazen wand verlichtten waren natuurlijk een verwijzing naar het hiernamaals. De verhuisdozen die er stonden, stonden klaar voor de eeuwige reis die de man ging maken. Het spel van Chris Nietveld steunde mij ook in mijn veronderstelling: het verschrikkelijke verdriet, het wachten op iets dat niet meer komen gaat. Het ging echter voor het eerst mis bij de opkomst van de hij, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat. Hij was helemaal niet moe, hij was nuchter, haast opgewekt, er was aan hem weinig sterfelijks te merken. In de eerste scène waarin zij hem soms wel ziet en soms niet, leek het verdriet van zijn rouwende vrouw hem weinig te deren. Goed, dat kon nog, hij was zich misschien niet bewust van het leed dat hij door zijn dood had berokkend.

Bij de komst van het meisje, leek mijn theorie weer even vaster vorm te krijgen. De minnares was eveneens Belgisch, roodgekruld en gehuld in hetzelfde zwarte jurkje als de vrouw. De vrouw in vroeger tijden.

Maar waarom genoot de man dan nog zo zichtbaar van haar aanwezigheid, leek het of hij een tweede kans kreeg met haar? Hij was toch aan het afscheid nemen? Of was zij soms de engel des doods die hem kwam halen? De vragen stapelden zich op: waarom werd de ‘zij’ krachtiger en leek ze iets te hebben overwonnen of geaccepteerd na het bezoek van het meisje? Waarom was het meisje zo bang de kamer in te komen? Waarom noemde de vrouw zichzelf steeds mooi en prachtig?

Het zijn slechts enkelen van de vele vragen die mij tijdens de voorstelling bevingen. Krampachtig probeerde ik de verwijzingen in het decor, de regie en de tekst te vertalen naar een voor mij sluitend verhaal. Vanwaar de harde lichtwisseling naar fel licht bij het vertrek van de man? Waarom klonk ‘these are a few of my favourite things’ van de Sound of Music? Waarom waaide er ineens een harde wind door de kamer na het openen van een raam?

Op een gegeven moment heb ik geprobeerd om de behoefte aan duiding volkomen los te laten. Heb ik de tekst als een muziekstuk over me heen proberen te laten komen. Het lukte even. Maar omdat er steeds van die duidelijke regiekeuzes plaatsvonden, kon ik dat ook niet helemaal laten gebeuren, omdat ik steeds het gevoel had dat ik iets fundamenteels over het hoofd zag. ‘Schiet mij maar lek’, was dan ook het gevoel dat ik als kijker overhield.

Misschien is het niet de recensie geworden die ik had willen schrijven. Maar de voorstelling en het schrijven daarover heeft me wel aan het denken gezet over mijn hunkering naar houvast. Want misschien was het daar allemaal om te doen: schrijver en regisseur willen mij weer vrij laten denken, alle interpretaties zijn goed. Er bestaat niet één waarheid. En dat is uiteindelijk best een bevrijdende gedachte.

Recensie Flow my tears/Veenfabriek

‘We willen alles’, moeten ze bij de Veenfabriek gedacht hebben. De muziek van  de zestiende-eeuwse componist John Dowland, de poëtische teksten van Annelies Verbeke en het thema geloof/ongeloof dat dit jaar in meer voorstellingen van de Veenfabriek het uitgangspunt is. In ‘Flow my tears’ komt alles samen in een wonderlijke mix van miskende indianen, ijle klaagzangen van Dowland en live-videoprojecties. Soms levert het samenvoegen van stijlen en ideeen goud op, maar nu raak je als kijker in verstrikt in de overdaad ervan.

Jeroen Willems (Veenfabriek) en Marleen Scholten (Wunderbaum) spelen een stel dat een groep muzikanten heeft ontmoet op de indianenbeurs in Den Bosch. Beiden zijn geinspireerd geraakt door Dowland en zijn relatie met de indianen. Volgens hen was Dowland misschien wel een indiaan. In zijn muziek zijn duidelijk invloeden te horen. Willems' personage, indiaan Kwekkwekibiness, heeft zich realistisch uitgedost als indiaan. Zijn geliefde, zijn amazone ondersteunt hem hem in zijn verlangen naar de tijd van krijgers. Samen zingen ze, – statisch, als een act – in de microfoon liederen van zestiende-eeuwse componisten. De muziek bindt hen, alles valt samen. Hier spelen ze geen spel, ze voelen zich echte Indianen.

Verwarrende signalen
Helaas voor Kwekwekibiness brokkelt het opgebouwde leven al snel af: het decor van zijn act valt om, de muzikanten ondermijnen zijn ideeën, zijn geliefde verdraait zijn gezang als het niet goed genoeg is. Misschien was Dowland wel helemaal geen indiaan. Zijn teleurstelling hierover leidt ertoe dat Kwekkwekibiness zijn pijl en boog op de clavecimbel spelende Frans richt. De indiaan ontdoet zich van zijn kostuum en samen met zijn vrouw zingt en speelt hij de scène opnieuw. Nu vallen tekst en muziek niet meer samen, de tekst gaat te snel. Hij staat ontdaan op het toneel: 'Wie ben ik nu nog? Nu ik geen krijger ben?' Zijn droom is uiteengespat.

Zo eenvoudig kan het echter niet zijn wat Veenfabriek ons hier wil vertellen. Dit gaat niet simpelweg over het niet mogen geloven in je eigen droom of waarheid. Er zijn teveel symbolen, teveel geduide teksten en wisselende speelstijlen die meer lijken te willen vertellen. Wat doet de levensgrote Nederlandse vlag bijvoorbeeld boven het toneel, waarom wordt er geschakeld tussen haast kluchtige elementen en poëtische teksten, waarom spelen de acteurs zo ingehouden en lijken ze zelf niet te mogen geloven in deze voorstelling?

Geloof/ongeloof?
Het lijkt alsof alle aandacht en energie in de compositie en het omgaan met de muzikale erfenis van Dowland is gaan zitten. Het verband met de indiaan in Dowland lijkt vergezocht, is het een manier om zijn muziek in het keurslijf van een hedendaags thema te wurmen? Mogen we niet meer geloven dat dromen waar zijn en bestaat er tegenwoordig geen puur muzikale schoonheid meer? Zijn we in deze maatschappij tot een holle samenleving verworden waar dromen, fantasie en schoonheid niet meer thuishoren?

De muziek ontroert, maar wringt met het achteloze spel en de verwarrende symbolen. In veel opzichten lijkt de première te vroeg te zijn gekomen; misschien dat aan het eind van de tournee de elementen wel in elkaar passen en uiteindelijk in een prachtig Gesamtkunstwerk resulteert. Helaas is dat nu nog niet het geval.

Flow my tears van de Veenfabriek, in coproductie met Wunderbaum wordt nog gespeeld tot en met 27 april
Speellijst: www.veenfabriek.nl/Voorstellingen/FLOW_MY_TEARS/Speellijst

Klik hier voor de publicatie op 8weekly

Recensie Sartre zegt sorry/Laura van Dolron

Sartre zegt Sorry/Laura van Dolron

Gezien: 2 september 2011, Bellevue Amsterdam

Ik zie ‘Sartre zegt sorry’ van Laura van Dolron op het Theaterfestival in Amsterdam. De voorstelling is geselecteerd als één van de beste voorstellingen van het jaar. Bellevue is dan ook volgestroomd met theatercollega’s, journalisten en festivalbezoekers. Bij aanvang staan van Dolron en haar tegenspeler Steve Arnouts ontspannen te smoezen. Omdat ik op de eerste rij zit, hoor ik haar zeggen: ‘dat wordt hard werken.’ Waarom hard werken, waarom heeft ze het niet gewoon naar haar zin met ons?
Het licht dimt en Steve Arnouts stelt zich voor als Sarte. Hij wil zijn excuses aanbieden voor de theorieën die hij de wereld in heeft geslingerd. Als belangrijkste vertegenwoordiger van het existentialisme wordt hij door Laura van Dolron opgevoerd.
Het besef dat de mens zijn leven inhoud moest geven daarvoor zelf verantwoordelijkheid droeg, vervulde hem met angst. Een hele generatie is daardoor opgegroeid in angst door de gedachte dat het leven zinloos is. Daarom wil hij sorry zeggen. Van Dolron verbiedt hem dat aan het begin van de voorstelling te doen. Hij moet eerst maar eens luisteren wat hij allemaal op zijn geweten heeft. Sartre plaatst zich afwachtend in een stoel, zich bewust van zijn positie.
Van Dolron vertelt vervolgens in haar ‘stand up philosophy’ stijl over haar confrontatie met Sartre. Ze is boos, omdat ze wél wil geloven in een wereld met schoonheid, waarin liefde zonder aanhalingstekens bestaat. Ze heeft echter de afgelopen jaren gevochten tegen de leegheid van het bestaan. Zo schetst ze vilein de kleine wereld waarin dertigers, en vooral vrouwelijke zich bevinden. Ze drinken koffie verkeerd in kale lege cafés; steken monologen af naar elkaar, maar luisteren niet; ze houden de politieke wereld ver van hen af, want ze zijn enkel bezig met zichzelf. Daardoorheen loopt het verhaal van een verloren liefde. Ze heeft met hem eenzelfde proces doorlopen: van minnaars die niet echt deelnamen aan de romantische liefde, tot de vrouw die oprecht kiest voor hem door hem ten huwelijk te vragen. Hij wijst haar af, maar ondanks de pijn die dat teweeg brengt, verdwijnt het geloof in de oprechte liefde niet: zij weet nu wat ze echt wil.
Nu is de tijd voor Sartre’s excuses. Hij biedt deze aan voor wat hij heeft aangericht. Vooral voor het feit dat hij iedereen heeft laten denken uniek te zijn. Daarmee troost hij van Dolron.
Ze speelt met verve: haar boosheid en verdriet raakt. Ze schakelt tussen oprechte emoties en relativering. Ze benoemt het proces van het toneelspelen en doorbreekt af en toe de vierde wand, waardoor de actrice er steeds doorheen schemert en haar spel kwetsbaar wordt.
Toch weet ik me als toeschouwer beschermd door het feit dat ze dit van begin tot eind heeft vastgelegd, en zich dus bewust is van elk maniertje en elke relativering.  Daarom ben ik enigszins confuus door het nagesprek dat volgt op de voorstelling. Er is nauwelijks scheiding tussen de actrice Laura van Dolron en Laura van Dolron zelf. Al haar twijfels over de grootte van de zaal en de keuzes die ze heeft gemaakt, legt ze bloot. Ook blijkt Steve Arnouts zelf zijn teksten te hebben geschreven. (‘die heb jij wel uitgeschreven toch?’) Het lijkt erop dat ze vooral intuïtief werkt, dat blijkt ook uit de vragen die ze krijgt over de opvattingen van Sartre: ze haalt uit zijn theorieën voornamelijk wat haar persoonlijk raakt. Ik wil niet weten of ze een zaal hard werken vindt of dat ze zenuwachtig is omdat een collega in de zaal zit. Ik ga naar het theater om meegenomen te worden in een illusie, al dan niet vol vertwijfeling. Maar ik wil dat ze precies weet wat ze doet, vol overtuiging en doordacht.